JONG LEVEN IN DE KERK

Voorwoord

Iedere keer  weer geniet ik intens van de altijd nog vele kinderen en jongeren in de kerk.

In de ‘gewone’ diensten, maar ook de jeugddienst van  2e Paasdag.

Daar ging iets van uit, verbaal én muzikaal.

Met ‘Verbaal’ bedoel ik inderdaad: de verkondiging.

Ik heb de zegsvrouw dan ook – met een dikke vette smilemoi – geappt:  mijn opvattingen over vrouwen in het ambt werden bijna aan het wankelen gebracht.

En de muziek- en zanggroep was voortreffelijk. Werd ik blij van.

Waar ik ook blij van word: ik mocht en mag deze jongeren op zien groeien vanaf de zondagsschoolkindjes zoals ik ze gekend heb, tot wat ze nu geworden zijn.

 

En dan vraag je je wel eens af: hoe zijn die jongeren nu - gewoon door de weeks - gaan denken over kerk, kerkgang en geloof.

Om daar achter te komen, moet je natuurlijk gewoon in gesprek gaan, maar dat was voor mij nog niet zo héél natuurlijk – welke jongere wil nu praten met zo’n oud.. eh.. mens als ik.

Maar niet schieten is altijd mis. Dus ik heb een aantal jongeren uitgenodigd voor een gesprek en tot mijn meer dan dankbare verrassing werd daar enthousiast op ingegaan.

Zo heb ik met 15 meisjes en jongens, of liever gezegd: jonge vrouwen en mannen, prachtige, open en spontante gesprekken mogen hebben die ik heb vastgelegd in verslagen, die allemaal geblogd gaan worden.

Ik wil verantwoorden, dat ik ieders mening zo objectief mogelijk heb geprobeerd weer te geven, ook al deel ik zelf die mening niet. Bovendien worden alle blogspas  gepost na inzage en met goedkeuring van de betrokken persoon.

 

We beginnen met

 

Simone Bontan

 

Als de dominee voor de preek beging met een leuke en relevante anekdote, dan ben je meteen meer geintersseerd en is het ook makkelijker om de preek te volgen.

 

Het is een herfstachtige middag, als wij in de Paddenstoel in de Hollandse Rading neerstrijken, tegelijk met de vallende bladeren. Hoewel ik mezelf daar nog wel eens mee mag vergelijken, die vergelijking gaat voor Simone nog láng niet op.

16 jaar, prachtig, stralend en open.

Een kop thee met iets erbij is gauw besteld en het gesprek, dat zich al in de auto ontsponnen had, zet zich voort.

Ik stel voor dat wat ik ook van het verhaal ga maken, ik het voor plaatsing eerst ter goedkeuring aan haar zal voorleggen, terwijl tot die tijd alles wat ze zegt, vertrouwelijk zal worden behandeld.

 Maar Simone is hier gemakkelijk in, en gaat in volle openhartigheid verder.

 

Zij is vanaf haar vijfde jaar meegenomen naar de kerk, met vader en moeder, en broer. Daarvoor bleef ze nog in de crèche, wat ze beduidend leuker vond. Je kreeg lange vingers en je speelde met het aanwezige speelgoed en met andere kinderen.

Ze heeft als jong kind de kerkgang niet echt als moeilijk ervaren, maar om nou te zeggen: hoe boeiend was het, en wat heb ik er veel van opgestoken: nee, dat nou ook weer niet.

‘Meestal begreep ik er niks van, ik zat vaak te tekenen, of te klieren met mijn broer, als we een keer per ongeluk naast elkaar zaten, of ik hing tegen mijn moeder aan, om, zodra ik kon kloklezen, stiekem op haar horloge te kijken of het nog niet voorbij was’.

Rond haar twaalfde is zij de diensten bewuster gaan beleven. Hoewel het ook dan nog niet altijd meeviel om de aandacht langer dan 10 minuten gaande te houden.

‘Ik heb een hele tijd  aantekeningen gemaakt tijdens de preek. De laatste tijd niet meer, maar ik denk dat ik daar weer aan ga beginnen. Helpt  wel om je te concentreren.

Ja, en eigenlijk zou er voor de kleinere kinderen voor wie het stilzitten wel héél moeilijk is, iets anders bij moeten zijn.

En misschien iets extra’s voor deze groep, immers, je leest een kind toch ook voor uit de kinderbijbel in plaats van uit de grotemensenbijbel?’

Ze denkt, dat, als ze zelf kinderen mocht krijgen, en de prediking zou dan nog net zo onbegrijpelijk voor ze zijn, zij ze in naar een kindernevendienst of iets dergelijks zou laten gaan, en pas vanaf een jaar of 10 meenemen naar de gewone dienst.

Simone vindt, dat, als de dominee begint met een leuke en relevante anekdote, zij van meet af aan geïnteresseerd is waardoor de prediking dan ook meer aanspreekt. Vooral als het over bekende verhalen en onderwerpen gaat, of over jongeren.

Overigens  heeft Simone geen of weinig bezwaar tegen de liturgie zoals die nu bestaat.

Zij hoort hier ook weinig over van andere jongeren, maar weet eigenlijk niet of men daar nu wel zo bewust mee bezig is.

In andere kerken, zegt ze, is er, ook in de gewone diensten, soms een band, een koortje of zingt er iemand solo.

Simone gaat niet, zoals veel dorpsgenoten, naar de Passie, maar naar het Alberdink Thijm College in Hilversum, waar ze gymnasium doet. Het ETC is van oorsprong een katholieke school, wat alleen nog te merken is aan een groot houten kruis (geen crucifix) in de hal.

Zij schat dat van zeg 25 mede-leerlingen die zij goed kent, er misschien vijf gelovigen zijn, waarvan er hooguit 2, onder wie zijzelf, geregeld naar de kerk gaan.

Simone: ik heb wel eens een niet-kerkelijk vriendinnetje te logeren gehad, dat dan met ons meeging naar de kerk.

Maar dat heeft er niet toe geleid dat zij ook kerkgaand is geworden.

Ik denk, aldus Simone, dat als je het niet vanaf het begin meekrijgt, als je ouders je niet vanaf het begin hebben meegenomen het dan niet gauw zal gebeuren, dat je als opgroeiende jongere, of als oudere, zomaar spontaan naar de kerk gaat.

Dat denk ik ook niet. Want, voeg ik er aan toe, ieder mens, of ie nu jong is of oud, is van nature geneigd, om níet naar de kerk te gaan. Immers, er is niemand, die God zoekt, ook niet tot één toe. Dat geldt ook voor mijzelf.

Het  is dus eigenlijk wel een bijzonder voorrecht als je in een christelijk gezin geboren wordt.

 

Het is alles bij elkaar een oergezellig samenzijn, waarin ik ook nog een paar leuke schoolverhalen voorgeschoteld krijg.

Onder andere over het laptop gebruik, dat nogal eens aanleiding schijnt te geven tot spannende films kijken.  Mág dat zo maar, vraag ik in mijn onschuld. Nee dus, maar dat veeg je gewoon weg zodat je gewoon weer braaf in je boek zit te kijken als er een leerkracht dreigt aan te komen. Dat kon ík niet -een verstopt piepklein transistorradiootje wegvegen - het snoertje met oortje toch niet goed genoeg verborgen in een haarvlecht - dus ik werd de klas uitgezonden, net onder het slotkoor van de Negende van Beethoven.  O tempora o mores….

 

En dan is de thee en de koek op, en wordt het weer eens tijd op om te stappen.

We rijden door de nog steeds herfstige middag richting Westbroek, waar ik haar thuis afzet en mijn weg vervolg naar mijn eigen stulpje, waar ik dit verhaal heb opgeschreven

 

Volgend blog: MISSIONAIR in MUZIEK

 

missionair in muziek

 

Jaco Boshuis

Jaco, 14 jaar oud,  opent mij de deur met een stralende, open glimlach. Ik voel mij welkom en wij gaan er eens echt voor zitten.

Jaco heeft al ruim zes jaar orgel les, eerst bij mevrouw Schuurman, maar toen zij een poosje uit de running was, is hij naar mevrouw Lam gegaan.

Van haar heeft hij nu een kleine drie jaar les.

Waarom orgel? Wel, het is gewoon een mooi instrument.

Hij heeft onmiskenbaar talent, dat blijkt ook uit het stukje - een helemaal niet zo gemakkelijk stukje barokmuziek - dat hij voor mij  niet alleen foutloos, maar ook glansrijk ten gehore brengt.

En ja, hoewel het een zowel als het ander hem goed afgaat, liedjes en liederen zijn tóch altijd leuker dan droge lesjes. Maar Jaco houdt vooral van wat levendige, mars-achtige muziek met loopjes.

 

Jaco bezoekt het voortgezet onderwijs in Amersfoort, en daar gaat, net als bij iedereen, tijd in zitten. Maar het orgelspelen komt hierdoor niet onder druk.

Ik veronderstel dat hij waarschijnlijk toch wat minder tijd nodig zal hebben om de lessen te oefenen dan een bejaard iemand als ik.

En ja hoor, dat klopt. Jaco speelt elke dag de opgaven 1 keer, en is daar ongeveer een kwartier mee bezig. (laat verder maar buiten beschouwing hoeveel tijd ik nodig heb, maar geloof me, het verschil is beduidend).

Jaco doet het graag en bezoekt al even graag de lessen; hij fietst iedere week opgeruimd van Maartensdijk naar Westbroek en weer terug.

En dan – ik zie aan hem dat hij nog iets op het hart heeft, maar het uit bescheidenheid niet wil zeggen. Ik dring aan: is er nog iets, dat je zou willen vertellen?

Hij mocht ook, desgevraagd, om de week, de samenzang op de catechisatie begeleiden en dat vindt hij érg leuk om te doen. Veel leuker dan samen zingen met de laptop.

Wat hij ook fijn vindt, is spelen op het kerkorgel, tijdens de jaarlijkse leerlingenavond.

Op mijn vraag of Jaco ooit kerkorganist wil worden, moet hij het antwoord schuldig blijven. Misschien? Ooit?

 

Intussen, we schrijven mei 2018, heeft hij al wel een keer in de kerk het slotspel mogen doen, en in de Jeugddienst op 2e Paasdag ook het tussenspel tijdens de collecte.

Dus - Wie weet?

 

Fia Lam Missionair in muziek I

Missionair met muziek

 

 
   

 

Fia Lam

 

De hele gemeente weet nu wel, dat Fia al meer dan 50 jaar onze organiste is.  Dit is nog herdacht na de morgendienst op 1e Paasdag  2017.

Maar hoe is het allemaal begonnen.

Dan moeten we tóch nog verder teruggrijpen - tot zo’n ruim 60 jaar geleden. 

Zoals in zoveel gezinnen in die tijd,  stond er ook bij de ouders van Fia een harmonium in de huiskamer, waarop ook werd gespeeld door haar ouders,

Fia begon al vroeg te proberen zich dit eigen te maken, maar toen zij 9 jaar oud was, besloot haar moeder dat Fia orgel moest leren spelen op het ‘echte’  notenschrift.

Zo kwam zij op les bij buurman Thijs Manten, die eigenlijk pianist was. 

Op een zeker moment besliste deze, dat hij Fia niets meer kon leren, en ging zij naar de muziekschool voor orgel in Utrecht, tot ze zelf moeder werd. 

Zij mocht onderwijl oefenen op het kerkorgel, waar ze al snel de diensten speelde onder toezicht van de toenmalige kerkorganist Piet Wijnen.

Dat was éigenlijk al vanaf haar 15de, 16de jaar. De heer P. Jongeneel speelde de avonddiensten, wat later is overgenomen door zijn dochter Greet Schuurman-Jongeneel. 

Fia is al vrij snel  zelf  les gaan geven. Ik hoorde dat haar eerste leerling tóen, Jan Gaassenbeek is geweest. 

Jan gesproken vertelt hij, dat hij  wegens druk werk, het niet heeft doorgezet. Hij zegt daar nóg spijt van te hebben.

Fia had 16 leerlingen, maar is daar, vanwege het jonge gezin en drukke werkzaamheden op de boerderij, mee gestopt.

Maar, druk gezin en dito bedrijf of niet, het spelen in de kerk heeft zij al die jaren ononderbroken voortgezet, ja, zelfs niet ook maar  één keer overgeslagen. 

De enige onderbreking, later, was, toen zij een heupoperatie had te ondergaan. Maar toen had zij een paar leerlingen paraat. 

Toen was het ook de enige keer dat zij niet de Zondagsschoolkerstviering heeft begeleid, tegenover de 51 keren, dat ze dat wél heeft mogen doen.

 

Orgelspelen is en blijft haar lust en haar leven.

Hoewel zij haar opleiding had te beëindigen, heeft zij zich steeds verder weten te ontwikkelen, mede door het zoeken naar en aanschaffen van  steeds weer andere muziek.

En door veel te spelen,

En door te lúisteren naar muziek, naar het orgelspel van de "Groten", als daar zijn Feike Asma, Piet van Egmond, Karl Richter, Helmut Walcha, of Marie-Claire Alain.                         

Fia voegt daar aan toe: maar dat  zijn zúlke klasse-spelers, daar háál ik het niet bij.

     

Dat zal waar wezen, Fia. Maar  - hier hebben we het over professionals.  Organisten, die niets anders dóen. Die van de orgelstudie een dagtaak maakten.   

Die geen omkijken naar en zorg voor opgroeiende kinderen hadden, die geen boerenbedrijf te runnen hadden. 

En die, ik noem maar iets,  al helemaal niet,  vlak voor een optreden, nog even gauw een schaap hadden te  verlossen.

 

Zeven jaar geleden heeft Fia het lesgeven weer mogen oppakken.

De eerste leerlingen, Jan de Bruijn, Eline Hennipman en Ruth Nagel (in volgorde van binnenkomst) spelen intussen, bij toerbeurt, elke maand een dienst op het orgel.

Wat niet alleen iets zegt over het talent van deze mensen, maar zéker ook over de pedagogische kwaliteiten van Fia.

Fia echter: zij kregen het héél wat moeilijker dan ik toen ik op het kerkorgel begon te spelen. Dat orgel toen had maar één klavier, weinig registers, en een pedaal, dat dan weer wel.  

Fia zegt dat ze érg blij was met het nieuwe orgel, dat in 1975 vanuit Zaandijk naar Westbroek werd overgeplaatst.

Dit orgel bood meer mogelijkheden voor de  gemeentebegeleiding en haar persoonlijke ontwikkeling in het orgelspel.

 

Intussen heeft  Fia 20 leerlingen, in leeftijd variërend van 9 tot 71, bijna 72 jaar.

En waar de docente zélfs deze zeventiger iets kan bijbrengen,  getuigt dit nog veel meer van haar pedagogische kwaliteiten.  

Zo blijkt iedere leerling benaderd te worden met een aanpak, die speciaal is gericht op  zijn/haar mogelijkheden, zijn/haar  leeftijd en talent.

 

Er is hoop voor de muzikale toekomst van de gemeente.

 

Riet

 

volgend MmM - item: Vader en Dochter

 

 

 </p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "</p> </div> "

missionair in muziek

MISSIONAIR IN MUZIEK

 

Vader en Dochter

Jan de Bruijn en dochter Dineke

 

Het is al weer een tijdje geleden, die prachtige avondrit naar Maartensdijk naar Jan de Bruijn, begeleid door de ondergaande zon, waarna ik, bij Jan aangekomen, vriendelijk word binnengehaald door zoon Steven, die best wist waarvoor ik kwam. Verder geleid door Dineke, en samen met Jan naar buiten gegaan, de mooie nazomeravond in.

Er werden kussens aangesleept op de loungebank en eenmaal gezeten, raakten we in gesprek.
Dineke vertelt dat ze orgel is gaan spelen omdat haar vader het ook deed.
Daarvoor had ze al een beetje op de elektrische piano gepingeld, maar toen er een orgel in huis was gekomen, wilde ze ook orgel les hebben.
Jan: zij leert véél en veel sneller dan ik. Zij heeft maar een paar keer oefenen nodig en ze kent al wat ze moet leren.
Ik moet er veel harder aan trekken, maar - ik vind het heerlijk om te doen. Het enige is dat ik vaak niet voldoende tijd heb.
Hij vervolgt: ik wilde al heel lang orgel spelen, maar het was er nooit van gekomen. Toen nu het orgel dat nog in het vorige huis van mijn schoonouders stond, weg moest, heb ik dat gekregen.
De volgende stap weet je: ik ben naar Fia gegaan en heb gevraagd of ze mij les wilde geven. Nu, dat wilde ze.

Jan heeft al vanaf zijn vroegste jeugd in de fanfare meegespeeld, dus de muziek is hem bepaald niet wezensvreemd.

“Maar ja, dat was maar één notenbalk met één sleutel, en nu”, verzucht hij, “zijn er drie notenbalken, het pedaal meegerekend”.
“En dan heb ik het nog niet eens over de registers”.  Hij vindt registreren belangrijk als er een bepaalde expressie aan een psalmvers moet worden gegeven.

Je speelt psalm 51 nu eenmaal niet net zo als psalm 150. En ook in één psalm kunnen verzen onderling verschillen. 

Maar soms, bekent hij eerlijk, laat ik die registratie maar voor wat het is, om mij beter te kunnen focussen op wat er genoteerd staat.

Want soms heb ik mijn handen daar meer dan vol aan.
Ik vraag hoe hij het ervaren heeft om al vrij snel ‘in het diepe gegooid’ te worden.
Hij vertelt, dat hij (en de anderen die nu hulporganist zijn) door Fia in een sneltreinvaart zijn klaargestoomd.

Maar, voegt hij er aan toe, ik was er écht niet klaar voor. Het zweet stond af en toe in mijn handen en de zenuwen gierden me door de keel.
Maar we móesten wel, want Greet was niet beschikbaar door haar gezondheidsomstandigheden en Fia moest een heupoperatie ondergaan  - die ze al een jaar had uitgesteld.
Ik vraag of die zenuwen gaandeweg niet wat minder zijn geworden.
Jan zegt te merken, dat hij meer ontspannen is dan voorheen als hij moet spelen, ook al bij het instuderen.
Op mijn vraag vertelt hij dat de liturgie vaak niet eerder binnen komt dan donderdag; en dan heb je eigenlijk maar een paar dagen. En als er dan ook nog andere dingen te doen zijn – je hebt tenslotte ook je gezin en je familie – dan gebeurt het heel vaak dat ik ’s morgens al heel vroeg achter het orgel ga zitten.
Dinke: het scheelt wel of het bekende psalmen zijn die je al vaker gespeeld hebt, maar dan zal het psalm 114 zijn, of psalm 7.
Ik vraag: krijg je wel eens commentaar op je spel?
Jan: eigenlijk nooit negatief commentaar. Ook al heb ik nog zo beroerd gespeeld, bijvoorbeeld dat ik zo met de registratie bezig was, dat ik even echt niet meer wist waar ik gebleven was of hoe ik de juiste toetsen weer op moest pakken.
Maar, zegt hij lachend, ik weet niet of dat uit vriendelijkheid is, of dat men gewoon niet hóórt dat er iets goed fout gaat.
Ik zeg: ik hoor het écht wel hoor Jan, als er iets niet klopt, maar ik zou het niet in mijn hoofd halen er iets van te zeggen.

Ik vind het geweldig wat je doet, zeker als ik het vergelijk met wat ik zelf zit te klungelen. Ik weet zeker dat er mensen zijn die het ook wel horen, maar daar ook, heel welwillend, niet negatief op reageren.

Bovendien, laten ze het eerst maar eens zélf gaan doen. 
En ik vervolg: onze goede God hoort óók wat je doet, maar nou heb ik zo het idee, dat Hij meer let op de intentie, de bedoeling van de speler, dan op de kwaliteit van het orgelspel. Maar daarom hoeven we kwaliteit nog niet onder tafel te schuiven.  Ik denk zelfs, dat als je weet dat God je hoort, je tot Zijn eer en voor de Gemeente nog meer je best wilt doen.
Persoonlijk vind ik het prachtig de ontwikkelingen hierin mee te mogen maken.

Dineke vertelt dat ook zij wel zenuwachtig is als ze het naspel mag doen. Maar gelukkig niet de hele dienst. Pas als het écht zo ver is.

Op een keer moest ze, onverwacht en niet ingestudeerd, “Ik stel mijn vertrouwen” spelen.

En toen ineens had ze ook even niet meer gezien waar de noten precies stonden.

 

Een meer eigentijdse invulling van de eredienst?

Dineke heeft, heel begrijpelijk, een voorkeur voor liederen uit opwekking. 

Jan is bepaald een psalmenfan, hoewel ook niet afkerig van een gezang of een enkel opwekkingslied. 

 

Een complete popgroep tijdens de zondagse erediensten…. nu, zo ver zijn we nog láng niet.
Ik zeg met een brede grijns: ik geloof niet, dat ik dat héél erg vind.

Ofschoon, in een jeugddienst....

 

Naschrift 3 april 2018.

 

Intussen een prachtige jeugddienst gehad. 

Over missionair met muziek gesproken!!

O ja, natúúrlijk heeft het Woord prioriteit. Ook in de uiting van de Paasvreugde.

En dat was hier gelukkig ook het geval: 

de uitvoeringen van de muziek- en zanggroep vormden een mooie, harmonische en aansprekende ondersteuning, zonder te overheersen.

Dat zouden we best vaker mogen doen, ook al zou dat voorlopig alleen maar weer eens een singin nà de eredienst zijn.

Daar gaan we voor: voor jeugd in de kerk.

Daarom volgt hierna, ter opening van een serie interviews met jonge mensen, eerst een blog "Jong Leven in de Kerk".

Daarna wordt  het verhaal van Jaco Boshuis, jeugdig leerling-organist, geplaatst, en vervolgens om-en-om: één van de jonge mensen die geinterviewd zijn– één van de (hulp-leerling-)organisten.

 

 

MISSIONAIR IN MUZIEK

 
Missionair met muziek .....
 

 

......kan dat? Gaat het niet in de eerste plaats om het Woord?

 

Dat is natuurlijk zo, maar je kunt en mag ook op allerlei andere manieren missionair bezig zijn.
En dat is maar goed ook, want niet iedereen heeft zomaar de moed  om over de Heere en Zijn dienst te spreken.
Zo zijn er ook de Tabitha’s (Dorcas, die rokken maakte voor de arme mensen), de mensen, die anderen die dat nodig hebben, hulp bieden.
En er zijn mensen, die muziek maken. Of die graag zingen. Een voorbeeldje: ik loop vaak te zingen als ik (buiten) aan het werk ben, of wandel, of boodschappen doe.
Dat zijn vaak ‘psalmen, gezangen en geestelijke liedekens’, om met Paulus te spreken.
Soms willen mensen weten wat je zingt - een mooi aanknopingspunt om iets te vertellen over die psalm, dat gezang, het geestelijke lied.
Soms is er  herkenning - dat doet iets met mensen.
 
Missionair zijn met muziek kun je zijn als jongere, als je graag zingt en/of een instrument bespeelt.
'Sommige nieuwere liedjes', hoorde ik van een jonge vrouw die zich zelf bepaald onmuzikaal noemt, 'zijn zelfs voor mij makkelijk op de gitaar te spelen'.
Dus moeten we muziek, die ik persoonlijk soms wel eens een beetje ál te ‘hapklaar’ vind, niet zo maar aan de kant schuiven.
Ik denk ook aan de sing-ins die - alweer een tijdje geleden - een paar keer in de kerk gehouden zijn, met een zanggroepje en allerlei instrumenten, allemaal mensen van de JV.
Toen was er veel én veelzijdig muzikaal talent onder de jongeren. Ik weet niet of dat nu ook  nog zo is. 
Ik weet dat er een paar trompet spelen, dat er ergens een percussionist moet huizen, maar in elk geval zijn er, naast de drie hulporanisten-in-opleiding, vijf jongeren die orgelles hebben.
Dat is op z'n minst opmerkelijk. Je hoort rondom van alles gonzen over vernieuwing en verlevendiging....
Maar kennelijk is het orgel een zó tijdloos instrument is, dat het voor iedere aankomende generatie weer 'nieuw' en 'levend' is.
Zoals het voor eerdere generaties nieuw en levend is gebleven.
 
weerstanden
Hoewel voor ons het orgel niet is weg te denken uit de erediensten, heeft het na de reformatie nog een hele tijd geduurd eer het orgel (weer) in gebruik genomen werd.
Ze waren er al  in de oorspronkelijk Rooms-Katholieke kerken, maar orgelspel werd  afgewezen, net als bijvoorbeeld wierook en andere liturgische gebruiken, die als 'papistisch' werden bestempeld.
Wel werd de gemeentezang ingevoerd, wat, zoals men langzamerhand ontdekte, zonder begeleiding absoluut niet ging.
Iedereen dééd maar wat, in eigen tempo, toonhoogte, volume. Men probeerde door zo hard mogelijk te zingen elkaar de loef af te steken of zijn eigen manier van zingen erdoor te douwen.
Kortom: 'ghehuyl ende geschreeuw', aldus Constantijn Huygens.
Dus werd er over nagedacht om het orgel weer in ere te herstellen. Dat ging natuurlijk ook niet zonder slag of stoot.
Er waren er die het nu zo eerbiedwaardige instrument 'des duivels fluitenkast'  noemden.
 
En nu is het 'gewoon'. 
 
gewoon
Ik heb, toen ik pas weer in de kerk kwam, wel eens de gedacht dat het nogal 'gewoon' gevonden werd, dat er iedere zondag steevast twee mensen zijn, die de gemeentezang begeleiden.
Vaste prik, ’s morgens Fia, ’s avonds Greet.
Maar ook moet gezegd zijn, dat er meer belangstelling is ontstaan sinds we een aantal hulporganisten in opleiding hebben.
Er werd vaak nieuwsgierig naar boven gekeken - wie, o  wie? Deze onzekerheid, zelfs onrust, is opgelost nu ook de organist wordt genoemd, bij de afkondigingen.
Toch heb ik mij nooit helemaal aan de indruk kunnen onttrekken, dat muziek in onze gemeente niet zo'n héél hoge prioriteit heeft.
Is die indruk juist, dan moet daaraan worden toegevoegd, dat dit méér dan onterecht zou zijn.
In elk geval on-Bijbels. Eén van de ordeningen voor de dienst van de Heere is, naast bijvoorbeeld de offerdiensten, de aanstelling van muzikanten en zangers.
Eerst in de tabernakel, later in de tempel. De Heere is kennelijk gediend van muziek. Hij wil het er bij hebben. Tot Zijn eer. En tot vreugde van de mensen.
Kan het zijn dat dat niet altijd wordt beseft?
Er wordt, voor het begin van de dienst, druk gebabbeld over van alles en nog wat, en dat zet zich, zij het in mindere mate, voort bij het tussenspel voor de collecte.
Dat is ook wel te begrijpen - ik maak me er zelf ook 'schuldig' aan - je wilt met je kerkbankburen toch ook wel wat aardigheden wisselen.
Immers, de onderlinge verbondenheid is  heel belangrijk.
 
Maar stel je  eens voor: Je zit in de concertzaal. De musici zijn, na  intense voorbereiding, bezig met de uitvoering van een muziekstuk – en jij babbelt er lustig op los.
Geloof maar gerust dat je vriendelijk - maar buitengewoon dringend - zou worden verzocht om te zwijgen. Of te verdwijnen.
Laten we het bij ons in de kerk dan maar op zwijgen houden. Zoveel als mogelijk is. En laten we met aandacht luisteren naar de muziek, die tot Gods eer wordt gespeeld.
 
Want geloof me, het is níet gewoon, en zéker geen kleinigheid, dat dat iedere zondag weer mag gebeuren.
Het is Gods gave  -  en ook in het orgelspel is de leiding van de Heilige Geest onmisbaar. Net zoals in het spreken en het luisteren.
Laten we dus ook met respect luisteren naar de uitvoerende organisten.
Want, ook al mag je hier in opgeleid zijn of worden, zelfs al mag je hier in geleid worden door de Heilige Geest, het is absoluut geen kleinigheid.
En zeker niet voor de organisten-in-opleiding, die heel wat voor te bereiden hebben.
Ga maar aanstaan: een muziekstuk of  lied vóór de dienst, tijdens de collecte, en na de dienst, plus de begeleiding van alle psalmen.
 
verheugend
Maar - en dit mag óók vermeld zijn: er zijn ook een heleboel mensen, die het orgelspel wél heel bewust en met vreugde meemaken.
Die worden aangeraakt door óf de muziek op zich, óf door de bijbehorende liedtekst, of door beide.
En algemeen is er toch altijd de beleving van ‘gemeenschap zijn’, van ‘verbonden zijn’,  tijdens het zingen zelf, dat dan ook werkelijk tot Gods eer gebeurt.
Muziek in de eredienst kan dus heel inspirerend en voedend zijn. En samenbindend.
 
Missionair met muziek, dat zijn dus ook onze organisten. 
Ik wil daarom in een aantal blogs een verhaal over hen vertellen.
Te beginnen met Mevrouw Fia Lam-van Oostrum, die nu al ruim een halve eeuw het orgel bespeelt, en die bovendien een behoorlijk aantal leerlingen heeft.
Dus komen ook de hulporganisten-in-opleiding aan bod, en enkele leerlingen - mogelijk/hopelijk toekomstige kerkorganisten.
En, natuurlijk, de andere ‘oudgediende’ Mevrouw Greet Schuurman-Jongeneel.
 
Het was fijn om de gesprekken te voeren,  en ik hoop dat jullie het net zo leuk gaan vinden de  blogs te lezen, als ik het leuk vind om ze te gaan maken.
rrb