ge-zin in de Kerk

 

Herfstnamiddag in het zinkend zonlicht. Ik bel aan bij de familie Westeneng.

Door het raam lachen twee schattige jochies me toe.

Ik ben blij dat ik dit gezin nader mag ontmoeten. Intelligente, levendige en serieuze jonge mensen.

Kritisch maar met humor en zelfreflectie - zo ver ken ik hen intussen wel, bedenk ik, als Carla van achterom aan komt lopen om me binnen te laten.

En ja zeker, ik lust best koffie en een lekker stuk gevulde speculaas  – primeur voor mij dit jaar – is ook welkom.

We gaan zitten aan de eettafel in de kamer. Sophie, jongste dochter, en Daan, oudste zoon, komen er ook bij. 

Anne, oudste dochter, maakt boven haar huiswerk. Gijs scharrelt rond door de kamer.

Sophie en Daan gaan naar zondagsschool.  Dat is niet vrijblijvend, maar liefst wel zo ontspannen mogelijk.

Daan vindt het verlossende woord: we mógen naar de zondagsschool.

DIt schept de verwachting dat ie het dan ook wel heel leuk zal vinden.

Dat brengt ie rap tot realistischer proporties terug: een béétje leuk. Sophie vindt het ook niet echt heel erg leuk.

Carla is, mét mij,  blij dat er geen kindernevendienst is gekomen. Ze vindt een kindermoment mooi als het inhoud heeft.

En hoe vinden de kinderen het zelf? Sophie: Nou ja, eh - pas nog wel leuk, toen kregen we een snoepje.

We fantaseren er op los: we gaan de kerkdienst opleuken[1] met een nieuwe liturgie: we beginnen met snoep, dan limonade.

En chips, oppert Daan. Patat!, roept Sophie. Een broodje knakworst, jubelt Daan. Ik verslik me in m’n koffie van het lachen.

En dan - wat is leuk. Soms denken we wat leuks te bedenken voor kinderen, en die blijken er dan geen bal aan te vinden.

Maar - móet een kerkdienst dan ook o-zo-leuk zijn voor kinderen? School is toch ook niet ‘leuk’? 

 

We gaan het eens over ‘Weerklank’ hebben.

Er zitten prachtige liederen bij, zeker, maar  – we zijn het eens – wát een krakende psalm-rijmelarij af en toe.

Dat zien we ook wel in de oude berijming, maar als het totaaldoel van Weerklank ‘béter’ was, dan is dat doel niet gehaald[2].

Over één ding zijn we het volmondig eens: de preekschrijfkaarten zijn ge-wel-dig[3]. Dat vinden de meeste kinderen ook.

 

Intussen is, verrassing, ook Kees gearriveerd. Hij had gezegd dat ie misschien geen tijd had maar dat is gelukkig meegevallen.

Carla vertelt iets over haar opvatting over zondagsrust: Zondag moet een rustdag zijn.

Ze hebben allebei een druk, vol leven. Zij in deeltijdbaan, maar een baan die veel inzet en inzicht vraagt.

Bovendien is ze (tot háár verbazing trouwens, niet de mijne) verkozen tot  algemeen bestuurslid van de overkoepelende organisatie Manninne.

Ze heeft een voor huidige begrippen groot  gezin.

Maar niet zo groot, dat niet elk kind de individuele aandacht krijgt die het nodig heeft.

Ook dit met de verfrissende nuchterheid, die haar kenmerkt: géén overdrijving.

En dan een groot huis en -  ‘nee natuurlijk niet’ - geen huishoudelijke hulp.

Behalve een nuchter, is Carla ook een ordelijk mens, dus dat weet ze allemaal heel goed te behappen.

 

‘Maar ’s zondags’, aldus Carla, ‘genieten we van de rust.

Na de ochtenddienst gaat de R.O. aan en verzorgt muziek voor de hele dag.. Liever geen telefoontjes.

En kerkgang. Met alle kinderen, ja ook Gijs van 3,5 jaar. W

andelen vind ik wel oké, maar als je ervoor met de auto weg moet, liever niet.

Genieten van de prachtige natuur  kun je ook dicht bij huis’.

‘Toch, zegt Kees’: we gaan vaak maar één keer per zondag naar de kerk. Dat zou eigenlijk anders moeten.

Carla werkt af en toe in het weekend, maar toch…. de kerkdeur staat 2x per zondag open’.

 

Carla vertelt, dat een gastpredikant onlangs heeft gezegd dat er vroeger veel meer geloof in de kerk was dan nu. 

Dat vind ik persé niet, en steek dat ook niet onder stoelen of banken. O zeker, vroeger zaten de kerken vol.

Zeker, ook vroeger waren er mensen met diep doorleefd geloof en hartelijk godsvertrouwen. Maar die zijn er nu ook.

Ik durf beweren, dat er tegenwoordig relatief méér bewust-gelovige mensen (jong en oud) in de kerk zitten dan vroeger.

 

Tóen werd er niet over het geloof gesproken, of men praatte de gewenste kreten na, ook bij huisbezoek:

‘Ja dominee, ik ben een grote zondaar. Nee dominee, ik mag niet zeggen dat ik bekeerd ben. Ja dominee, Ik moet dieper in de ellende’.

Dat ging al heel ver. Meestal bleef het bij instemmend knikken op wat dominee zei.

Op de kringen waar ik mij mee mag bezighouden, geven ouderen-van-tegenwoordig  getuigenis van – in hun eigen ogen mankerend, maar in mijn beleving -  oprecht geloof. Zo hoorde je de ouderen vroeger niet.

De jeugd-van-tegenwoordig die ik spreek – zó inspirerend hoorde ik vroeger de jeugd-van-toen nooit iemand praten,  

Dat heeft natuurlijk meerdere oorzaken, bescheidenheid, je plaats kennen, verbaal onvermogen, maar toch.

Vroeger, dat weet ik zeker, was er een sterk economisch motief om naar de kerk te gaan.

Als je een winkel had en je ging níet, dan had je geen klanten, vult Carla aan.

Zocht je werk zonder kerk, dan bleef je werkloos, zegt Kees.

Of we het ingestudeerd hadden.

En had je door het een of het ander niet te eten, dan kreeg je niks van de ‘jakkenie’[4].

Dat maakte ontegenzeggelijk óók een deel van de macht van de kerk uit.

 

Die druk is er niet meer, men gaat in volle vrijheid naar de kerk. Ook de jongeren.

Vroeger deed men belijdenis, omdat iedereen het deed. Anders viel je buiten de boot.

Jongeren die nu nog naar de kerk gaan, belijdenis doen, aan het Avondmaal gaan, doen dat heel bewust.

 

Kees vraagt zich af, of de gang naar het Avondmaal dan weer niet wat te gemakkelijk is.

Hij heeft van ouds geleerd dat je daarvoor toch een echt bekeerd kind van God moet zijn.

Anders  eet en drink je je een oordeel.

Dat herken ik. Nog steeds en steeds weer: éigenlijk kan ik niet aangaan.

Maar als het er op aan komt, dan is het net alsof je opgetild wordt, en voort geleid. 

En waar staat  dat je een bekeerd kind van God moet zijn?

We  gaan er geen Bijbelstudie van maken maar ik mag wel verwijzen naar wat Paulus er over zegt[5]

 

Intussen rijst de vraag of de toekomst van de kerk er nou wel zo rooskleurig uit ziet.

De tekenen zijn bedreigend genoeg.

Vooral de jeugd staat onder druk - van kennis, wetenschap en maakbaarheid.

Van in razendsnel tempo veranderende normen.

Van de illusie van onafhankelijkheid.

Daar past geen geloof in en gehoorzaamheid aan een Hemelse Vader meer in.

Eigenlijk zou het andersom moeten.

We zouden alles wat ons leven uitmaakt, moeten inkaderen in het geloof.

 

Ik ken en herken de dwalingen maar al te goed. Dus mogen we niet wanhopen.

God kàn verandering geven.    

 

En zolang er - onder Gods zegen en genade - nog gezinnen zijn als deze familie, dan hoeven we ook niet te wanhopen. 

Dan mogen we dankbaar zijn,

 

Riet Ritman-Bakker

Familie Westeneng

©rrb



[1] blog satiriek drieluik leuklijden etc

[2]Maar het is ook bere-moeilijk om binnen vaststaande structuren een gedicht te maken dat in elk geval Woordgetrouw moet zijn

[3]Met, naast dank aan onze goede God, alle hulde aan Mariska Hardeman

[4] Diaconie - armenzorg

[5]1 kor 11, met name vers 17 t/m 22 – zie blog: ‘van water naar wijn’.

 

 

Riet R-B

stilstaan bij beweging

 

Stilstaan bij Beweging

 

Het Heilig Avondmaal

 

I van Paaslam naar Godslam

 

Ik was ooit met Pesach in Israël. Dan vieren de Israëli’s Sederavond.  Ze herdenken, nu nog steeds, de Uittocht uit Egypte.

Ze eten ongedesemd brood met bittere saus en drinken wijn.

Het Paaslam, dat in Bijbelse tijden geslacht en gegeten werd, wordt uitgebeeld met een lamsbot, dat in het midden van de Sederschotel ligt. Tijdens de maaltijd worden gedeelten voorgelezen die over de Uittocht gaan.

De kinderen stellen vragen die de ouderen beantwoorden.

 

Jezus heeft ook ‘Sederavond’ gevierd. Hij heeft de Uittocht uit Egypte herdacht, zoals Mozes dat geboden had.

Jezus vervult ook in dit opzicht te wet. Hij heeft voor Zijn laatste Avondmaal het Paaslam laten bereiden,

Dat heeft Hij met Zijn discipelen gegeten, voor  Hij overgaat op het breken en delen van het brood en schenken van de wijn.

Hiervan zegt Hij nu, dat ze dat voortaan moeten eten en drinken, Brood en Wijn tot Zijn gedachtenis;

Niet meer het Paaslam, niet meer het bloed van het lam aan de deurpost.

Maar het Bloed, dat Hij gaat storten als het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.

Hij bezegelt hiermee een nieuw Verbond.

Hij stelt in om, mét dat nieuwe verbond, het Avondmaal te houden tot Zijn gedachtenis. 

Dat is een opdracht.

 

Verantwoording  

ik heb voor dit stukje, behalve uit de Bijbel, ook geput uit waarneming en ervaring uit een grijs verleden.

De door mij in te brengen motieven leven al bij de bewuste kerk- en Avondmaalsganger van nu.

Dat is dus wel een beetje water naar de zee dragen.

Maar misschien is er iemand, voor wie, onder Gods zegen, met dit stukje een drempel mag worden verlaagd.

Dan is het  niet voor niets geschreven.

 

Exclusief

Vroeger (de 50ger -60ger jaren) leek het Avondmaal voorbehouden aan een select groepje.

Hoewel de Avondmaalsgangers dat zelf vast niet zo voelden, men was er vast van overtuigd dat zij dé uitverkorenen waren.

In elk geval hoorden wij,  zittenblijvers, daar in elk geval niet bij.  Uitgesloten.

Want wij konden, als we het in ons hoofd zouden halen om aan te schuiven, ons alleen maar ‘een oordeel eten en drinken’

 

Die - absoluut bijbelse, en in het totaal-verband onmisbare - term is een heel eigen leven gaan leiden.

Nou ja, léven…..?   Met díe uitleg, die ‘eeuwige dood en doem’ suggereert?

 

Dat idee is intussen wel gekanteld. Er mag daardoor, ook in meer orthodoxe kringen , meer vrijmoedigheid zijn.

Gelukkig slaat dit niet om in zo’n ‘vrijblijvende’ -  makkelijke maaltijd.

Om een band te weven tussen kerkleden, doopleden en niet-leden. En buitenstaanders.

Dat kan. Dat mag. Maar dat is geen Heilig Avondmaal.

Dat is niet tot gedachtenis van Jezus Christus en Zijn verzoenend sterven.

Zelfs niet al zou dat het thema zijn. Je krijgt dan zoiets als:

als het goed voor je voelt dan kun je dit tot Jezus’ gedachtenis doen.

maar als je daar helemaal niks mee hebt hoeft het niet hoor,  eet smakelijk.

 

Maar zó heeft Jezus het niet opgedragen!! Opdrachten, en zeker die van Jezus,  zijn niet vrijblijvend.

Maar dan is het óók niet meer vrijblijvend om niet om te gaan. Dan kan blijven zitten ook tot oordeel worden.

 

Je vraagt je af waar die 'terughoudendheid' ten aanzien van het Heilig Avonmaal vandaan kwam en komt.

Kleine kinderen werden ten doop gehouden met een onbekommerdheid, die óók bevreemding wekt.

Zeker  als je beseft wat je belooft ten overstaan van God en Zijn Gemeente.

Niemand - dat ik weet - is ooit op deze gedachte gekomen:

Je zou je ook wel eens een oordeel kunnen beloven, als je die belofte (die uit een opdracht volgt) niet nakomt. 

 

 

II  van water naar wijn

Voor aangaan aan het Avondmaal werd  dat 'oordeel' als een onoverkomelijke drempel, een onneembare muur opgeworpen.

Drempels en muren zìjn er.  Ze zijn er, ook om iets te weren of om te beschermen.

Het zou niet goed zijn, als je dat niet in de gaten had of zou ontkennen.

Maar dat ze onoverkomelijk, onneembaar zijn, kijk, dat is niet waar.

Een onoverkomelijke drempel, een potdichte, hoge muur,  weerhouden je een huis in te gaan. Ze zijn - VIJANDIG

Dat Dat kan de bedoeling niet zijn'.

Als ze al zijn opgeworpen, dan heeft de Heere die ontoegankelijkheid zelf geslecht.

En als je ze dan zélf nog torenhoog laat oprijzen, dan wil Hij je er nog overheen dragen ook

 

Denk niet, dat, als je een keer die drempel over geholpen bent, het een volgende keer gemakkelijker is.

Ik zou haast zeggen: integendeel.

Juist als je uit louter genade een keer hebt mogen meedoen, besef je de volgende keer des te schrijnender:

ik heb er in mijn doen en laten weer geen bal van terecht gebracht.

De relatie met de Heilige God, die zo heerlijk werd bevestigd in dat aangaan, heb ik weer talloze malen geschonden.

Dat is zò ontmoedigend.

 

Maar dáár moet je je niet aan vastklampen!!!! Niet aan jezelf, niet aan je onwaardigheid.

Niet aan je angst – die angst dat je je een oordeel zult eten en drinken als je fout aangaat.

 

een klein beetje bijbels bewustzijn 

Wat staat er nu eigenlijk.  Ik pak de oude Staten Vertaling erbij, want die geeft dit het beste weer.

Ten eerste- Onwaardiglijk

Dit ‘onwaardiglijk’ slaat op de manier van eten en drinken.

Voor de taal hobbyisten: het is, door de toevoeging –lijk een bijwoord dat op het werkwoord slaat, in dit geval:  eten en drinken.

Had het op de persoon geslagen, dan was het een bijvoeglijk naamwoord en dan zou er 'onwaardig'  hebben gestaan.  

 

Ten tweede- een oordeel.

Er staat niet het Oordeel 

Hiervoor gaan we naar de verzen 31 en 32 uit 1 Kor. 11:

 

31  Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.

(daar heb je dat zelf-onderzoek, die  zelfbeproeving,  zelf-beoordeling dus voor nodig, juist om niet geoordeeld te worden.

 

Die beoordeling is nodig. Je kunt niet, met allerlei onbeleden, onvergeven zonden aan de Tafel gaan.

Daar mogen we absoluut niet licht over denken. Dat doet de Heere ook niet.

Als ik mijn zonden níet overdenk, níet belijd (zodat ze niet vergeven kunnen worden) dan gaat de Heere zelf aan de gang.

Dan gaat Hij zelf oordelen:

32  Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.

 

Zie je nu, hoe genádig de straf is die op dit oordeel volgt?

Dat is níet de eeuwige doem. Integendeel. Het is een straf, een tuchtiging, die ons daar  juist voor wil behoeden:

Hij oordeelt ons, opdat wij met de wereld niet zouden worden veroordeeld.

Het is  een tuchtiging, een straf tot behoud: om aan erger oordeel te ontkomen.

Namelijk het ultieme oordeel dat de wereld van de zonde te wachten heeft.

 

Door de zelfbeproeving kom je er al snel achter, dat je inderdaad onwaardig bent.

Maar daar mag je niet in blijven steken, en je er ook niet door laten ontmoedigen.

Integendeel. Lees het begin van het tweede deel van het Avondmaalsformulier maar.

 

Ten derde.  Wat bedoelde Paulus nu eigenlijk met onwaardig(lijk) eten en drinken?

Alles wijst er op dat gemeente van Korinthe het Avondmaal op een totaal foute manier vierde.

 

Voordat iedereen aanwezig is beginnen de mensen al alles al weg te schranzen wat ze hebben meegebracht.

En ze nemen er een flinke slok bij, tot dronkenschap toe. Ook dat nog. En ze delen helemaal niets.

Eerder lijkt het of ze de mensen die niks hebben lekker willen maken en beschamen: Ikke wel  jij niet, lekker puh.

Ze kunnen in hun gulzige honger niet eens wachten tot iedereen er is, zodat er voor slaven die het later binnenkomen, niets meer over is.

 

Dat wordt het duidelijkst weergegeven in de Herziene Statenvertaling.

 

20 Zoals u nu bij elkaar samenkomt, is dat niet het eten van het Avondmaal van de Heere.

21Want bij het eten gebruikt iedereen van tevoren al zijn eigen avondmaal en dan heeft de één honger, terwijl de ander dronken is.

22Hebt u dan geen huizen om er te eten en te drinken?

Of minacht u de gemeente van God en beschaamt u hen die niets hebben?

Wat moet ik nu tegen u zeggen? Zal ik u hierin prijzen? Ik prijs u niet.

 

Dit staat niet in het Avondmaalsformulier, dat hoefde ook niet, want die praktijken kwamen in de kerk niet meer voor.

Maar daardoor is het verband met het ‘onwaardiglijk eten en drinken’ wel weg gezakt.

 

Terug naar de zelfbeproeving.

Daar moeten we mee bezig zijn, zeker.

Maar we moeten er ook weer geen op zichzelf staande grootheid van maken,

Dan gaan we ons er misschien weer op beroemen hoe vroom zonde-belijdend we zijn.

Of het wordt een vrome smoes, om je maar niet aan de Heere over te geven, want o zo onwaardig.

Overigens vraag ik me af, mezelf kennende: zou dat niet veel meer trots zijn – te trots om bij de Heere te komen zoals ik ben:

ellendig, arm en naakt. 

Zou dat niet een trotse weigering zijn om het bruiloftskleed aan te nemen.

 

Conclusie

Ik heb mezelf uitgesloten en sluit mezelf steeds weer opnieuw uit van de genade.

Het is lastig, om dat steeds weer te erkennen en de Heere hartelijk belijden dat ik niet waardig ben dat Hij tot mij inkomt[1]

Steeds weer in te zien dat mijn geloof of  fout of  klein of nihil is, omgekeerd evenredig aan de verkeerdigheden.

 

Ik mag het steeds weer ervaren. Hij nodigt mij steeds weer uit, onweerhoudbaar, om aan Zijn Tafel te komen.

Uit genade wil hij mij, - ons - deelgenoot maken in de hemelse spijs en drank.

 

Hìj, die wonderen doet op wonderen horen, maakte van water wijn op de Bruiloft in Kana.

 

Zo kan en wil Hij het Water van de Doop voor ons veranderen in de Wijn van het Avondmaal.

 

 

Riet Ritman-Bakker

©rrb

 

 


[1]Deze tekst is een liturgisch onderdeel bij de viering van Brood en Wijn ofwel de mis in de RK kerk. Prachtig.

 

 

 

 

 

 

 

reageren?

weet je welkom op 

whapp 0655180402

@mail riet.ritman@planet.nl

 

volgende: ge-zin in de kerk familie Westeneng-Spruijt

vorige: recht aan vrouwen of aanrecht - was Paulus vrouw-onvriendelijk


[1] Deze tekst is een liturgisch onderdeel bij de viering van Brood en Wijn ofwel de mis in de RK kerk. Prachtig.

 

 

Riet R-B

stilstaan bij beweging

Stilstaan bij beweging

 

Onbeantwoord

of

Be-antwoord

 

Als je dit zelf hebt meegemaakt, hoop ik dat dit onderwerp geen oude wonden open maakt, of zout in nieuwe wonden strooit.

Het stukje beoogt uiteindelijk de enig mogelijke oplossing aan te dragen voor wat een schrijnend probleem kan zijn.

Als je het zelf niet hebt beleefd, bijna iedereen heeft het wel eens bij anderen opgemerkt, of van dichtbij meegemaakt:

 

een vriendschap, een liefde die niet gelijkwaardig of  niet wederkerig was.

 

Er werd van alles en nog meer geinvesteerd, in begrip, aandacht, in mededogen, in gebed, maar wat er ook werd ingebracht - 

het mocht – soms – even blijven drijven, maar weldra verzonk het  in een bodemloze vergetelheid.

Het télde gewoon niet.

Maar de ‘koorden van liefde’ van liefde bléven trekken.

Het bleek trekken aan een dood paard.

Dat was erg.

Soms werd merkbaar dat dat paard nog leefde, maar trekken aan een levend paard, dat niet wíl….

Dus het kon nóg erger, als goede bedoelingen werden misverstaan, of  genegeerd, of afgewezen.

Wèg met jou. Voor jou tien anderen, alle tien leuker, aantrekkelijker, plezieriger en nuttiger dan jij.

 

Onlangs werd ik weer met zo’n verhaal geconfronteerd.

Een vrouw die ik goed ken, die niets anders had gedaan dan haar huwelijk zo goed mogelijk in te vullen.

En dat was ook wérkelijk zo.

Ik heb het gezien en ervaren: zoveel toewijding, zorg, échte genegenheid.

Maar ook stil verdriet om het gebrek aan wederkerigheid, die niet verder ging dan af en toe wat nuchtere waardering.

Die vrouw moest vernemen dat er een ander was, waar manlief bliefde mee verder te gaan.

Het was nog een hele toer om het verdriet en de frustratie niet om te laten slaan in boosheid.

Wat haar trouwens gelukt is, maar alleen met gebed - want normaal gesproken word je boos, immers woede is beter te dragen dan verdriet.

Maar, boos of droef, uiteindelijk kon ze haar handen van hem aftrekken en haar hart afsluiten.

Uit klare zelfbescherming, omdat ze niet nóg meer bezeerd kon worden.

Zó begrijpelijk. 

Dan gaat mijn medeleven diep naar zo iemand uit.

Dan kan ik nogal laaiend worden op ‘zo’n egoïstische hork’ en steek dat  dan ook niet onder stoelen en banken.

 

Juist  toen ik een kleurige woede-volzin probeerde te voltooien, schrok ik, en niet zo zuinig ook.

Of ik in een spiegel keek. 

 

Want is dit nu niet precies, wat de Heere Jezus doorlopend met mìj moet doormaken?

 

Wat een liefdevolle, lokkende roepstem laat Hij steeds uitgaan.

Wat een aanbod van liefde en genade houdt Hij mij gedurig voor.

Wat een stromen van zorg en zegeningen stort Hij aanhoudend over mij uit.

En wat doe ik?

Goed,  ik wil, belangstellend, best wel eens iets van Hem weten.

Ik toon Hem mijn respect, ook door naar de kerk te gaan.

Zelfs door af en toe met vuur over Hem te spreken.

Ik bid tot Hem als ik mij afhankelijk voel, vooral als ik zelf dingen niet kan oplossen of bereiken.

En soms zelfs betuig ik Hem mijn dank en eer.

Maar dat staat in géén verhouding tot de overvloed die Hij míj biedt aan genade en liefde en zegen.

 

Erger nog:  als het er op áán komt, als Hij naar mij toekomt in Zijn waarachtige wezen, in Zijn onnoemelijk grote liefde,  dan wijs ik Hem af.

Dan sluit ik Hem buiten.

Dan zijn er voor Hem tien andere dingen, mensen en situaties die ik véél leuker, aantrekkelijker, plezieriger en nuttiger vindt.

Dan past Hij niet in het inclusieve wereldje van het ‘mij-eigene’.

Dan heb ik het véél te druk met het mijne te koesteren of na te jagen.

 

Reageert Hij dan net als de afgewezene, die  afgedankte, die ik hiervoor opvoerde? 

Raakt Hij gefrustreerd, wordt Hij boos?

Sluit Hij zijn hart voor mij af en trekt Hij dan ook zijn handen van mij af?

 

Nee, vrienden, dat doet Hij niet.

Hij reageert het verdriet, dat ik Hem aandoe, niet af in boosheid.

Hij trekt Zijn handen níet van mij af, integendeel, Hij  laat mij Zijn doorboorde Handen zien.

Juist die handen, die, hoewel steeds weer zegenend naar mij uitgestrekt, ik zo vaak van mij af geslàgen heb.

Als  Hij mij de rug toe keert, dan is het om mij te tonen, hoe doorploegd die is geworden, voordat de last van het Kruis daarop gelegd werd.

 

Daarom bid ik nu: Laat mij Hem niet wéér en méér wonden slaan met mijn afwijzing.

 

Laat het ook zijn, dat geen mens, hoe die mij ook moge beschadigen  of  kwetsen, mij zó kan deren, dat ik hem of haar niet kan vergeven.

Laat mij dan beseffen,  hoe ik Hém beschadigd en bezeerd heb.

 

Laat mij dan beseffen,  hoe Hij mij dat vergeven heeft.

 

 

 

riet ritman-bakker

©2019rrb

 

 

 

 

""""""""</p> "

EVEN IETS RECHTZETTEN

 

 

Beste mensen, maar met name jij, die hebt meegewerkt of nog zal meewerken aan dit blog,

 

Misschien is het ook jou niet ontgaan dat er in de Vierklank van 18-7-2018 een artikel  staat, dat nagenoeg geheel en letterlijk is overgenomen van ons blog.

Ik wil je graag laten weten, dat dit totaal buiten mijn medeweten is gebeurd.

Ik verzeker je, dat ik nooit-nooit-nooit elders iets over jou zou plaatsen, noch wie dan ook ooit zou toestaan iets van mijn hand over jou te publiceren - zonder jouw instemming.

 

Ter verdere beveiliging van jouw en mijn gegevens zet ik in het vervolg mijn naam onder de stukjes samen met het copyright teken:©rrb 

Dat gaat vast helpen dat anderen zich niet meer zonder toestemming en bronvermelding blogs gaan toe-eigenen.  

 

Ik groet jullie allen hartelijk.

 

 

 

Riet Ritman-Bakker

©rrb

 

stilstaan bij beweging

Biblebelt 

of

het vrome volk

Daar gingen we dan, met z’n drieën naar de expositie ‘bij ons in de biblebelt’ – en dat op aansporen van de steeds weer herhaalde foto van een schattig oud dametje, dat met haar blijde uitstraling de indruk bood dat gebonden te zijn in de bijbelriem, een zaak van opperste vreugde is.

 

Eerlijk?

Ik vond er geen bal aan.

Mijn gezellinnen en ik volgden plichtsgetrouw de tentoongestelde objecten, raakten af en toe eens in gesprek met medebezoekers, speurden op de rij plaatsnamen, of wij ook Maartensdijk tegenkwamen, maar neen.

Dat vonden wij vreemd, tot één van ons opperde, dat die van Maartensdijk waarschijnlijk helemaal niet mee hadden willen doen.

Ik zocht ook nog naarstig naar Kockengen, dat, naar ik onlangs ervaren heb,  ook nog helemaal gehuld is in het Oude Gewaad van het Woord.

 

Maar nee, ook Kockengen ontbrak.

Ik schreef het hieraan toe, dat ze, tòch, PKN zijn.

 

Ik bekeek een filmpje waarin getrouwd werd en ving deze woorden op, die werden voorgelezen uit een soort huwelijksformulier:

belooft gij (NN) dat gij uw man in alles gehoorzaam zult zijn?

 

Ik zei tegen mijn metgezellinnen, dat dat volstrekt niet zo in de bijbel staat.

Er staat nergens, dat een vrouw in alles haar man gehoorzaam moet zijn.

Paulus gebruikt het woord gehoorzaamheid nog geeneens als het over huwelijkse betrekkingen gaat.

Petrus gebruikt het woord wel in dit verband, maar dan nog indirect met Sara als gehoorzaam met betrekking tot  Abraham.

En Petrus voegt er ergens nog iets aan toe, dat dat alleen geldt voor alles dat betamelijk is.

 

Als  je al dan aan het begin van je huwelijk al wordt opgezadeld met allerlei – althans in mijn beleving -  oneigenlijke gehoorzaamheidsopdrachten, dan is het volgende ook geen wonder.

 

Wij bekeken foto’s, van gezinnen, van interieurs met Johannes orgels, van jonge, verliefde stelletjes samen op een kamer, op een bank of bed, maar in een zo uitdrukkelijk ten toon gespreide kuisheid, dat je het ergste begon te vrezen voor een tierig huwelijksleven.

 

En foto’s van pasgetrouwde stelletjes.

Ik heb nog een hele oude foto van mijn grootvader en grootmoeder, ook pas getrouwd.

De foto is vergeeld en vervaagd, maar die vier oogjes op die oude foto geven meer sprankeling af dan die van de tamelijk treurige aangezichten van de kersverse stelletjes op de kersverse foto’s. 

Was mijn eerdere vreze juist, of zou die uitdrukking van - wat ik ervoer als - droeve frustratie nou door die gehoorzaamheidsformulering komen, vroeg ik mij af.

Maar het gaf ook oprechte vreugde, want wij, mijn metgezellinnen en ik, werden ook weer even bepaald bij eigen wittebroodsweken-herinneringen, en kijk, er verscheen bij ieder van ons een uiterst plezierige glimlach op het gezicht.

 

Enfin, ik ontkwam eerlijk gezegd niet aan een lichte irritatie, misschien wel omdat ik mij in vrome levenswandel zo schromelijk te kort vind schieten als ik mijzelf zet in het licht van de onwrikbare discipline, die mij uit alle hoeken van de tentoonstelling zo verwijtend bescheen.

 

Maar misschien – héél misschien, ben ik wel een beetje jaloers.

Misschien, héél misschien, heb ik wel een beetje heimwee naar vroeger, toen geloven nog zo eenvoudig en rechtlijnig was, dat je gewoon niet af kón dwalen.

Het leven rondom leek te bestaan uit alleen maar vrome en godvruchtige mensen, die je tot voorbeeld werden gesteld om een Oppassend Leven te leiden.

Maar nee, door alle sindsdien ervaren twijfels – tot en met radicaal ongeloof, door diepe dalen gaan en daaruit gered zijn, ben ik dankbaar voor de weg, waarop ik sindsdien gezet ben, de weg ten Leven, door de liefde en de genade van onze Heere Jezus.

Maar wèl met diep respect voor alles wat ik vroeger daarvan, tóch, mee mocht krijgen, en ook voor wat ik daarvan, tóch, ook weer mocht zien in deze tentoonstelling.

 

Ik maak nu plaats voor mijn co-writer Aagje, die er een gedicht aan gewijd heeft.

Dat maakt dit stukje dan toch nog een beetje goed.

 

Het museumbezoek

 

Schuifelend, lezend en kijkend

naar alles wat zo bekend is.

Vreemd om te horen, hoe mensen praten

over het leven

- al die mensen op de foto’s.

Want ook ik had zo maar

op één van die foto’s kunnen staan.

 

Alles was zo bekend

maar ook weer zover weg.

De blijdschap van het leven

met de HEERE,

ik miste het zo hier en daar.

Tegelijk vraag ik me af

is het bij mij zo anders?

Pijnlijk bedenk ik,

ook ik mis het zo hier en daar.

 

En toch: een kijkje in het hart

van al die mensen die leven

met de Bijbel in de hand,

dat trof mij wel.

De openheid, de beleving,

eerlijk en oprecht vertelden zij

wat de Bijbel hen te zeggen had.

 

Maar toch: ging ik huiswaarts

met één vraag.

Waar was de God die alleen redt?

Waar straalde Zijn liefde?

Niet in de wet.

Maar in Zijn Genade -

en dat was níet tentoongesteld.

 

Maar moest dat ook?

Kán dat ook?

Nee, dat is in beelden

niet te vatten of te vangen,

 

Maar daarvoor hebben wij het Woord.

 

Aagje van der Linden

 

 

 

  <<span style="display: inline !important; float: none; background-color: rgb(255, 255, 255); color: rgb(19, 21, 21); font-family: Times New Roman; font-size: 14px; font-style: normal; font-variant: normal; font-weight: 400; letter-spacing: normal; orphans: 2; text-align: left; text-decoration: none; text-indent: 0px; text-transform: none; -webkit-text-stroke-width: 0px; white-space: normal; word-spacing: 0px;">©Riet Ritman-Bakker, Aagje van der Linden