ge-zin in de Kerk

 

Herfstnamiddag in het zinkend zonlicht. Ik bel aan bij de familie Westeneng.

Door het raam lachen twee schattige jochies me toe.

Ik ben blij dat ik dit gezin nader mag ontmoeten. Intelligente, levendige en serieuze jonge mensen.

Kritisch maar met humor en zelfreflectie - zo ver ken ik hen intussen wel, bedenk ik, als Carla van achterom aan komt lopen om me binnen te laten.

En ja zeker, ik lust best koffie en een lekker stuk gevulde speculaas  – primeur voor mij dit jaar – is ook welkom.

We gaan zitten aan de eettafel in de kamer. Sophie, jongste dochter, en Daan, oudste zoon, komen er ook bij. 

Anne, oudste dochter, maakt boven haar huiswerk. Gijs scharrelt rond door de kamer.

Sophie en Daan gaan naar zondagsschool.  Dat is niet vrijblijvend, maar liefst wel zo ontspannen mogelijk.

Daan vindt het verlossende woord: we mógen naar de zondagsschool.

DIt schept de verwachting dat ie het dan ook wel heel leuk zal vinden.

Dat brengt ie rap tot realistischer proporties terug: een béétje leuk. Sophie vindt het ook niet echt heel erg leuk.

Carla is, mét mij,  blij dat er geen kindernevendienst is gekomen. Ze vindt een kindermoment mooi als het inhoud heeft.

En hoe vinden de kinderen het zelf? Sophie: Nou ja, eh - pas nog wel leuk, toen kregen we een snoepje.

We fantaseren er op los: we gaan de kerkdienst opleuken[1] met een nieuwe liturgie: we beginnen met snoep, dan limonade.

En chips, oppert Daan. Patat!, roept Sophie. Een broodje knakworst, jubelt Daan. Ik verslik me in m’n koffie van het lachen.

En dan - wat is leuk. Soms denken we wat leuks te bedenken voor kinderen, en die blijken er dan geen bal aan te vinden.

Maar - móet een kerkdienst dan ook o-zo-leuk zijn voor kinderen? School is toch ook niet ‘leuk’? 

 

We gaan het eens over ‘Weerklank’ hebben.

Er zitten prachtige liederen bij, zeker, maar  – we zijn het eens – wát een krakende psalm-rijmelarij af en toe.

Dat zien we ook wel in de oude berijming, maar als het totaaldoel van Weerklank ‘béter’ was, dan is dat doel niet gehaald[2].

Over één ding zijn we het volmondig eens: de preekschrijfkaarten zijn ge-wel-dig[3]. Dat vinden de meeste kinderen ook.

 

Intussen is, verrassing, ook Kees gearriveerd. Hij had gezegd dat ie misschien geen tijd had maar dat is gelukkig meegevallen.

Carla vertelt iets over haar opvatting over zondagsrust: Zondag moet een rustdag zijn.

Ze hebben allebei een druk, vol leven. Zij in deeltijdbaan, maar een baan die veel inzet en inzicht vraagt.

Bovendien is ze (tot háár verbazing trouwens, niet de mijne) verkozen tot  algemeen bestuurslid van de overkoepelende organisatie Manninne.

Ze heeft een voor huidige begrippen groot  gezin.

Maar niet zo groot, dat niet elk kind de individuele aandacht krijgt die het nodig heeft.

Ook dit met de verfrissende nuchterheid, die haar kenmerkt: géén overdrijving.

En dan een groot huis en -  ‘nee natuurlijk niet’ - geen huishoudelijke hulp.

Behalve een nuchter, is Carla ook een ordelijk mens, dus dat weet ze allemaal heel goed te behappen.

 

‘Maar ’s zondags’, aldus Carla, ‘genieten we van de rust.

Na de ochtenddienst gaat de R.O. aan en verzorgt muziek voor de hele dag.. Liever geen telefoontjes.

En kerkgang. Met alle kinderen, ja ook Gijs van 3,5 jaar. W

andelen vind ik wel oké, maar als je ervoor met de auto weg moet, liever niet.

Genieten van de prachtige natuur  kun je ook dicht bij huis’.

‘Toch, zegt Kees’: we gaan vaak maar één keer per zondag naar de kerk. Dat zou eigenlijk anders moeten.

Carla werkt af en toe in het weekend, maar toch…. de kerkdeur staat 2x per zondag open’.

 

Carla vertelt, dat een gastpredikant onlangs heeft gezegd dat er vroeger veel meer geloof in de kerk was dan nu. 

Dat vind ik persé niet, en steek dat ook niet onder stoelen of banken. O zeker, vroeger zaten de kerken vol.

Zeker, ook vroeger waren er mensen met diep doorleefd geloof en hartelijk godsvertrouwen. Maar die zijn er nu ook.

Ik durf beweren, dat er tegenwoordig relatief méér bewust-gelovige mensen (jong en oud) in de kerk zitten dan vroeger.

 

Tóen werd er niet over het geloof gesproken, of men praatte de gewenste kreten na, ook bij huisbezoek:

‘Ja dominee, ik ben een grote zondaar. Nee dominee, ik mag niet zeggen dat ik bekeerd ben. Ja dominee, Ik moet dieper in de ellende’.

Dat ging al heel ver. Meestal bleef het bij instemmend knikken op wat dominee zei.

Op de kringen waar ik mij mee mag bezighouden, geven ouderen-van-tegenwoordig  getuigenis van – in hun eigen ogen mankerend, maar in mijn beleving -  oprecht geloof. Zo hoorde je de ouderen vroeger niet.

De jeugd-van-tegenwoordig die ik spreek – zó inspirerend hoorde ik vroeger de jeugd-van-toen nooit iemand praten,  

Dat heeft natuurlijk meerdere oorzaken, bescheidenheid, je plaats kennen, verbaal onvermogen, maar toch.

Vroeger, dat weet ik zeker, was er een sterk economisch motief om naar de kerk te gaan.

Als je een winkel had en je ging níet, dan had je geen klanten, vult Carla aan.

Zocht je werk zonder kerk, dan bleef je werkloos, zegt Kees.

Of we het ingestudeerd hadden.

En had je door het een of het ander niet te eten, dan kreeg je niks van de ‘jakkenie’[4].

Dat maakte ontegenzeggelijk óók een deel van de macht van de kerk uit.

 

Die druk is er niet meer, men gaat in volle vrijheid naar de kerk. Ook de jongeren.

Vroeger deed men belijdenis, omdat iedereen het deed. Anders viel je buiten de boot.

Jongeren die nu nog naar de kerk gaan, belijdenis doen, aan het Avondmaal gaan, doen dat heel bewust.

 

Kees vraagt zich af, of de gang naar het Avondmaal dan weer niet wat te gemakkelijk is.

Hij heeft van ouds geleerd dat je daarvoor toch een echt bekeerd kind van God moet zijn.

Anders  eet en drink je je een oordeel.

Dat herken ik. Nog steeds en steeds weer: éigenlijk kan ik niet aangaan.

Maar als het er op aan komt, dan is het net alsof je opgetild wordt, en voort geleid. 

En waar staat  dat je een bekeerd kind van God moet zijn?

We  gaan er geen Bijbelstudie van maken maar ik mag wel verwijzen naar wat Paulus er over zegt[5]

 

Intussen rijst de vraag of de toekomst van de kerk er nou wel zo rooskleurig uit ziet.

De tekenen zijn bedreigend genoeg.

Vooral de jeugd staat onder druk - van kennis, wetenschap en maakbaarheid.

Van in razendsnel tempo veranderende normen.

Van de illusie van onafhankelijkheid.

Daar past geen geloof in en gehoorzaamheid aan een Hemelse Vader meer in.

Eigenlijk zou het andersom moeten.

We zouden alles wat ons leven uitmaakt, moeten inkaderen in het geloof.

 

Ik ken en herken de dwalingen maar al te goed. Dus mogen we niet wanhopen.

God kàn verandering geven.    

 

En zolang er - onder Gods zegen en genade - nog gezinnen zijn als deze familie, dan hoeven we ook niet te wanhopen. 

Dan mogen we dankbaar zijn,

 

Riet Ritman-Bakker

Familie Westeneng

©rrb



[1] blog satiriek drieluik leuklijden etc

[2]Maar het is ook bere-moeilijk om binnen vaststaande structuren een gedicht te maken dat in elk geval Woordgetrouw moet zijn

[3]Met, naast dank aan onze goede God, alle hulde aan Mariska Hardeman

[4] Diaconie - armenzorg

[5]1 kor 11, met name vers 17 t/m 22 – zie blog: ‘van water naar wijn’.

 

 

Riet R-B

  • Geen reacties gevonden

Laat je reactie achter

0 / 300 Beperking van tekens
Je tekst moet 5-300 tekens bevatten
algemene voorwaarden.